W. van der Schans _ 10-06-04 _ Testruiters
Tijdens het afgelopen verrichtingsonderzoek was er het nodige commentaar op de ruiters van de jonge hengsten. Het makkelijkste is om de ruiters die de hengsten door de week trainen de schuld te geven. Dat gebeurde vroeger en dat gebeurt nog steeds.
Maar er spelen meer dingen mee. Ik denk dat het KWPN eens goed moet overwegen hoe ze hun testruiters inzetten. In 2007 ben ik na tien jaar als testruiter gestopt. In het verleden werden de hengsten vaker getest. Zo’n vier keer voor het tussenexamen en daarna nog eens drie of vier keer voor het examen. Geleidelijk aan is de inzet van testruiters veranderd. Jammer, want we zaten er dichter op en konden sneller aan de bel trekken als het mis dreigde te gaan.
Ik ben gestopt als testruiter omdat ik het gevoel kreeg dat er steeds minder met onze adviezen werd gedaan. De communicatie onderling werd ook steeds minder.
Dat is ook een van de redenen dat Angelique Hoorn er recent mee is gestopt. Zoals zij ook al aangaf, hoef je het voor de vergoeding niet te doen. Dat is peanuts. Je probeert het beste uit de hengst te halen en stemt daar je training op af. Je doet dit om de fokkerij en sport op een hoger niveau te krijgen.
Een testruiter heeft niet alleen de aardigheid nodig, maar ook een goed gevoel van rijden. Je moet je aanpassen aan het paard. Zeker bij een driejarige. De een pakt alles heel makkelijk op, de ander heeft meer tijd nodig. Eigenlijk niets anders als wat je bij kleine kinderen ziet: de een loopt bij anderhalf, de ander met drie jaar nog niet.
Het is lastig om geschikte testruiters te vinden. Het woord belangenverstrengeling komt al snel om de hoek kijken. Niet alleen uit de mond van het KWPN, maar ook bij hengstenfokkers. Dan wordt er gezegd: ‘Die rijdt al voor die, of die.’ Maar als iemand goed rijdt, dan krijgt hij ook paarden van buitenaf aangeboden. Dat is bij ruiters zo, dat is bij jury’s net zo. Neem bijvoorbeeld vakman Hans Horn.
Het KWPN moet de goede punten en slechte punten uit heden en verleden met elkaar vergelijken. Want als het beste paard uit het tussenexamen niet eens examen kan doen, gaat er duidelijk iets mis. De ‘paraplutest’ is ook iets waar tijdens het afgelopen verrichtingsonderzoek kritiek op kwam. Ik maak me zorgen om dit soort testen. Hier zijn we niet meer met africhting bezig. Een jong paard kan er erg van schrikken en dat levenslang onthouden.
Ik vraag me af of dit soort gegevens echt nodig zijn. Vroeger werd het karakter ook beoordeeld, maar gebeurde dit tijdens het rijden. Dan merk je vanzelf of een hengst werkwillig is of niet. Ik vind dit soort testen geen toegevoegde waarde hebben voor sportpaarden. In zijn verdere leven komt er nooit meer een paraplu uit de lucht vallen en hoeft hij ook niet over zeiltjes te stappen. Een springpaard moet er overheen springen!
We moeten niet vergeten dat we paarden fokken die steeds gevoeliger en sensibeler zijn. Met de hengsten moet steeds individueler worden omgegaan. Hoog in het bloed staande paarden moeten we dan ook met het juiste gevoel benaderen.
Wout-Jan van der Schans
Deze column verscheen vrijdag 4 juni 2010 in De Paardenkrant.
| |
|
reacties
Laten ze die testen meer gelijk laten lopen met wat er tegenwoordig wordt gevraagt van een paard.
H





