10-10-15 Gaat de fokkerij van dressuurpaarden wel vooruit?

Edward Gal TotilasDit jaar ben ik op het Wereldkampioenschap voor Jonge Dressuurpaarden in Verden geweest en heb ik de Wereldruiterspelen in Kentucky intensief gevolgd. Daarnaast ben ik ook op de Bundeschampionate in Warendorf geweest en heb ik de Pavo Cup gevolgd. In mijn ogen beschikken de paarden die nu op de WEG hebben gepresteerd over veel meer kwaliteit beschikken dan de jonge aanwas. Natuurlijk is dit niet helemaal te vergelijken, maar met het oog op de vooruitgang van de fokkerij denk ik dat de paarden niet beter geworden zijn de laatste tien jaar.

Tien jaar terug
De paarden die aan de top presteerden in Kentucky zijn allemaal ongeveer producten van tien a vijftien jaar geleden. De paarden die goed presteerden hebben verschillende dingen gemeen: ze zijn in staat gewicht over te nemen in de achterhand, beschikken over een goede bovenlijn en hebben – in tegenstelling tot het huidige KWPN fokbeleid – meestal niet zo’n lang voorbeen. In het huidige fokbeleid van de meeste stamboeken is de focus in mijn ogen onvoldoende aandacht op deze punten gericht. De laatste jaren is de nadruk veel meer gaan liggen op de commercie.

Specialisatie
Als ik de verschillende kampioenschappen voor jonge dressuurpaarden bekijk zie ik eigenlijk weinig echte functionele Grand Prix-talenten. Ik zie de jonge paarden kampioenschappen ook totaal los van de aanleg als Grand Prix-dressuurpaard.

Ongeveer twintig jaar geleden, voordat de specialisatie haar intrede had gedaan, ging het in mijn ogen veel beter met de dressuurfokkerij. Rond 1990 werd de specialisatie gepropageerd door de grote stamboeken en in de daaropvolgende jaren werd deze ingevoerd. In de springpaardenfokkerij werd door die specialisatie grote vooruitgang geboekt. Dat kwam in mijn ogen vooral omdat bij springpaarden maar één ding telt: het springen. Toen daar vol op geselecteerd kon worden, ging het veel beter met de fokkerij van deze paarden. De springpaarden die de afgelopen jaren zijn gefokt winnen steeds meer aan kwaliteit. De dressuurpaarden blijven echter achter.

In de dressuurpaardenfokkerij zijn veel meer onderdelen waarop geselecteerd moet worden. Deze fokkerij ging lijden onder het feit dat het krachtige springbloed in de fokkerij verloren ging. De fokkerij van dressuurpaarden kon zich daardoor niet verder ontwikkelen. De grootste problemen die zijn ontstaan door het verloren gaan van springbloed in de dressuurpaardenfokkerij, zijn een zwakke rug en een slepend, niet-krachtig achterbeen, terwijl het gebruik van het achterbeen toch zeer belangrijk is in de dressuur.

Grootlopers
Fokkers kiezen tegenwoordig liever voor een mooie zwarte hengst die groot draaft, in plaats van te kiezen op basis van werkwilligheid, fundament en gezondheid in het algemeen. Die aspecten, die ervoor zorgen of een paard succesvol in de sport kan zijn of niet, verliezen steeds meer aan waarde bij de fokkers. En die grootlopers worden ook vooraan gezet op de kampioenschappen voor jonge paarden, dus aan de andere kant is het ook logisch dat de fokkers hier de voorkeur aan geven. Op bijvoorbeeld de wereldkampioenschappen voor jonge dressuurpaarden wordt er veel waarde gehecht aan een foutloze, correcte proef, de werkwilligheid van het paard en ook het ‘showonderdeel’ – het grote lopen – wordt in de beoordeling meegenomen.

Daar zou verandering in moeten komen in mijn ogen. Er zou niet meer gelet moeten worden op het spectakel, maar op het achterbeengebruik, het ruggebruik, de tact en de kadans. Verder is het heel belangrijk dat een dressuurpaard kan schakelen, het is leuk als een jong dier geweldig groot kan lopen, maar als hij nooit klein kan worden zit het Grand Prix-niveau er niet in.

Vooruitgang
De ontwikkeling dat de dressuurpaardenfokkerij achteruit gaat is al ver doorgezet en op korte termijn niet terug te draaien. Bij het fokken denk je in generaties en we zijn wel één of twee generaties verder voordat we de dressuurpaarden weer op het niveau hebben van zo’n vijftien à twintig jaar geleden.

We hebben nu enkele zeer opvallende paarden in de dressuursport, maar die zijn allemaal zo’n tien tot vijftien jaar oud en zijn dus producten van het fokbeleid van zo’n vijftien jaar geleden, toen de specialisatie nog in haar kinderschoenen stond. Ik denk dat de paarden die nu worden geboren, nooit het niveau kunnen halen dat de paarden nu laten zien. De fokkerijleiders moeten weer gaan letten op de punten die een functioneel dressuurpaard maken: De sterke rug met goede verbindingen, een sterk gebruik van het achterbeen en de mogelijkheid tot schakelen.

Als dat hoofdpunten worden, kunnen we over twintig jaar misschien weer net zulke paarden als Totilas fokken.

Tom Hermans is hobby-fokker uit Utrecht. Hij fokt met enkele warmbloedmerries van verschillende stamboeken.
Deze opinie verscheen vrijdag 15 oktober 2010 in De Paardenkrant.


Reageer Reageer Stuur door Stuur door Afdrukken Afdrukken




reacties

@ Catelijn
http://www.youtube.com/watch?v=DVtZodFmcLU&p=D89A1C77EB3E40FF

OOk ik vond dit geweldig!
En de kür op muziek is natuurlijk een publiekstrekker en als het publiek al uit zijn dak gaat bij het alleen al in de 'arena "komen van het Barokke paard met al zijn gedragenheid,schwung,kracht en trots,ja dan heb je een PRE (;-))en het oor wil ook wat gezien de opzwepende muziek,ook een jury bestaat uit mensen met gevoel!
Ik zou Edward wel eens op dit paard willen zien rijden...;-) (alhoewel Juan Manuel Munoz Diaz in ieder geval vol overgave en met groot plezier en trots dit dier rijdt)


Misschien moet Edward gewoon een Iberisch paard aanschaffen en daar eens heel spectaculair en vol overgave van gaan genieten,gewoon ff in zijn vrije tijd....een merrie ...en dan insemineren met Totilassperma.....PIOEW...wie weet!


Of onze trotse Fries xTotilas...dan zijn we gelijk van het inteelt probleem af en we fokken een bewegingstopper!


;-)

Meta, den helder | 25-10-2010 | 01:08:11

"De fokkerijleiders moeten weer gaan letten op de punten die een functioneel dressuurpaard maken: De sterke rug met goede verbindingen, een sterk gebruik van het achterbeen en de mogelijkheid tot schakelen. Als dat hoofdpunten worden, kunnen we over twintig jaar misschien weer net zulke paarden als Totilas fokken."

Misschien een beetje naïef om Totilas als voorbeeld van een paard met een sterk gebruik van het achterbeen te nemen. Ik ben van mening dat dit punt redelijk tegenvalt bij dit paard. Kijk maar eens als dit paard van een verzamelde draf naar een uitgestrekte draf gaat. De voorhand is natuurlijk spectaculair, dat valt niet te ontkennen. Maar dit onttrekt de aandacht aan de achterhand. Hier gebeurt daarentegen vrij weining. Bekijk een Parzival: dit paard heeft veel meer kracht in de achterhand en de mogelijkheid tot acceleratie en gebruikt deze ook goed.

Het uitgangspunt om een paard als Totilas te willen fokken, lijkt in eerste opzicht prima. Maar wanneer je kritisch naar dit paard kijkt, valt er nog wel wat aan op te merken.
EvS, Leeuwen | 24-10-2010 | 21:00:16

Het evenwichtsmodel

Evenwichtige bewegingen ontlenen hun tact aan een evenwichtige bouw van het skelet. Dit concept is voor alle dieren in een miljoenjaren durende evolutie onder de onverbiddelijke wetten van de zwaartekracht ontwikkeld. Dat kunnen wij niet verbeteren maar dienen we in onze fokkerij te respecteren. Een paard dat tactmatig draaft, heeft al naar gelang de kracht van de afzet een ruim of minder ruim zweefmoment. Dat delicate proces van evenwicht wordt aan de gang gehouden door bewegende ledematen, spieren, pezen en banden. Een door de natuur ontworpen evenwichtsskelet en evenwichtige (economische) bewegingen kosten de minste energie en krachtsinspanning en leveren de grootst mogelijke efficiency met de minste slijtage op.

Een evenwichtsmodel bestaat uit verhoudingen die de verschillende skeletonderdelen ten opzichte van elkaar manifesteren:
-De hals moet even lang zijn als de rug (bovenlijn).
-De lengte van het voorbeen moet gelijk zijn aan die van de hals en de bovenlijn en aan die van de rompdiepte. Deze gemeenschappelijke lengte vormt weer de helft van de romplengte. Een dergelijke rechthoeksromp vormt op zich weer exact twee vierkanten. Het paard staat daarbij dus over veel bodem.
-De schofthoogte moet gelijk zijn aan de lengte van hoofd en hals samen. Anders kan het paard niet rechtstandig zijn voer opnemen en ontstaat er afwijkingen en dus een vroegtijdige slijtage.
-De ruglengte (bovenlijn) moet de helft van de romplengte bedragen. De bovenlijn is weer onder te verdelen in 1/3 rug, 1/3 lendenpartij en 1/3 croupe.
-De ruimte tussen de voor- en achterbenen moet even lang zijn als de lengte van de rug inclusief de schoft.
-De hoogte en de lengte van het paard moeten gelijk zijn. De welving van de hals dient gelijk te zijn aan de welving van de rug en de schoft dient tot aan het midden van de rug door te lopen.

Aan de voorzijde moet het paard evenwijdig staan en als er een verticale lijn door het midden van de hoef wordt getrokken, moet die precies door het midden van de knie lopen. De afstand tussen beide hoeven en de knieën, van de voorzijde gezien, moet precies één hoef zijn.

Voor de achterzijde gelden dezelfde criteria. De verticale lijn vanuit de hoef getrokken moet precies door het midden van het spronggewricht lopen en zowel aan de onderzijde als tussen de spronggewrichten één hoef breed zijn. De loodlijn getrokken vanaf de boeg naar de grond moet evenwijdig lopen aan die van het voorbeen. De verticale lijn getrokken vanuit het zitbeen moet precies voor en evenwijdig aan het pijpbeen lopen en pal achter de hoef uitkomen. Om de bouw van een paard goed te kunnen beoordelen is het dus van belang dat het paard vierkant staat. We hebben voorts te maken met dragende gewrichtshoeken t.w. het boeg- en het darmbeengewricht en de gewrichtenhoeken die bepalend zijn voor de voortbeweging t.w. het elleboog- en het spronggewricht. Daarbij moeten de hoeken van het boeg- en darmbeengewricht elk precies 90 graden, die van het elleboog- en spronggewricht 135 graden en die van het kootgewricht 45 graden zijn. Samen vormen deze hoeken precies 360 graden. De bewegingsuitslag (openen en sluiten van de gewrichten) van de voortbewegingsgewrichten bedraagt 90 graden en ook die som van de vier benen laat exact weer 360 graden zien. Het bewegingsmechaniek van het paard vormt dus exact een cirkel. Dat geldt overigens ook voor het hele paard. En niet alleen voor het paard maar voor elk dier. Hoezo hebben wij het wiel uitgevonden?
Karel de lange, Steenbergen | 19-10-2010 | 10:44:29

Ik vind dat Tom Hermans een bijzonder goede visie heeft. ik heb de overstap gemaakt van KWPN naar het spaanse paard zo´n 19 jaar geleden. Vanaf dat moment ben ik nog steeds verbaasd over de power die deze paarden bezitten. Ze zijn uiteraard compacter, maar door hun uitstekende achterhand hebben ze van nature weinig moeite met de verzamelde oefeningen. Maar ook hier laat door weinig techniek van de ruiters het ruggebruik te wenen over...Doordat ook hier de fokkerij moderniseert wordt er meer geselecteerd op goed gangwerk en meer ruimte, zonder de karakteristieken van het ras te verliezen. je kan wel 10 spaanse paarden per dag rijden, maar met de noordeuropeese paarden ben uitgeput na 4 paarden. Rijd het allemaal maar bij elkaar die lange lijven en die lange benen..
Het heeft allemaal zijn prijs. Maar ik ben ontzettend trots dat nu eindelijk een PRE in de top 5 in Kentucky is ge-eindigd, wat een show gevoel. Jammer dat er maar weinig écht goede ruiters zijn in spanje, anders had dit ras zich al lang eerder in de internationale kijker gereden.....
Catelijn, Villanueva de la Concepcion Málaga | 18-10-2010 | 22:29:59

Ik ben het er helemaal mee eens,tegenwoordig staan veel paarden bovenaan in de jonge paardenrubrieken die ver genoeg hun voorbenen eruit kunnen gooien.Achter hebben ze vaak een lang en zeer sabelbenig achterbeen waardoor het lijkt alsof ze er heel wat mee doen.Wat alleen vaak optisch bedrog is,ze kunnen het been niet meer goed buigen bij het spronggewricht en kunnen inderdaad alleen nog maar groot lopen en op de voorhand vallen.Ter compensatie houden ze hun korte halsjes erg verticaal en drukken ze hun rug weg zodat ze niet omvallen..
Verre van een evenwichtsmodel inderdaad...de focus zou moeten liggen op een goed in evenwicht gaand paard waarbij tact en balans veel zwaarder zouden moeten wegen dan voorbeenspektakel.
EW, W | 18-10-2010 | 12:29:12

Beste Tom, Ook ik bezocht Pavo Cup en Bundeschampionate en volgde Kentucky. Ik kan beamen dat het door jouw geschetste probleem realiteit is, al wil ik er wel een nuancering in aanbrengen. Het stamboek is de weg van specialisatie ingeslagen en veel fokkers volgen klakkeloos. Die keuze is aan de fokker en waarschijnlijk onderscheidt zich hier de meeloper van de visionair. Je noemt Totilas, die gefokt is uit een uit de springsport bekende moederlijn en waar naast Gribaldi geen druppel dressuurbloed aan te pas gekomen is. In Verden op het WK jonge paarden bracht Totilas het tot een vierde plaats, dus daar werd op jonge leeftijd toch al dressuurpotentieel onderkend. De fokker van Totalis fokt nog steeds volgens dit concept en heeft nog diverse producten met een zelfde bloedopbouw als Totilas. Kortom, er zijn nog steeds fokkers die hun eigen plan trekken, niet kiezen voor vermeerderen, maar weten wat ze willen. De mindere kwaliteit van de paarden in de Pavo Cup of Bundeschampionate zegt dus net zo goed iets over minder gelukkige keuzes van fokkers. Wie fokt weet dat het verkopen van veulens niet altijd even simpel is. Het blijkt waar dat een ongelukkig afgetekende maar goede vos minder makkelijk van eigenaar veranderd dan een middelmatige zwarte. Verder is er een soort van mode in welk bloed meer gevraagd is. De fokker die zijn veulen ieder jaar wil verkopen, gaat daar begrijpelijkerwijze rekening mee houden en dan glijdt men al snel af naar vermeerderen. Echter de markt vraagt het en dus wordt het zo "geproduceerd".
Conclusie die hier aan te verbinden is, is dat niet alleen de weg die het stamboek bewandelt de kwalitiet van paarden in de Pavo Cup bepaalt, maar tevens de kundigheid van fokkers, opfokkers en vooral ook uiteindelijke gebruikers. Zolang de paardrijdende dochter liever een hele mooie zwarte heeft, met een klein hoofd en liefst zonder aftekeningen, en de kwaliteiten als sportpaard pas op de tweede plaats komen, is de neerwaartse trend moeilijk te doorbreken. De groei van de sport in de afgelopen jaren heeft de vraag naar paarden vergroot, maar de nieuwe gebruikers zijn niet allen erg kundig en leggen andere accenten. Dat heeft zijn weerslag op de fokkerij.
De in Kentucky succesvolle KWPN`er Ravel is er een voorbeeld van dat een goed paard en een commercieel paard niet hetzelfde is. In Nederland werd in zijn jonge jaren nu niet bepaald achter Ravel aangelopen, maar de eigenaar had alle vertrouwen in zijn paard en dat is uiteindelijk terecht gebleken. Er moet wel een koper voor komen die kwaliteit zoekt, want de "dochter" die een paard met een klein hoofd wil, had waarschijnlijk toch nog even verder gekeken.
Conclusie is dus dat er zonder twijfel in de populatie van jonge paarden veelvuldig eigenschappen gemist worden waardoor ze weinig mogelijkheden voor topsport bezitten. Maar desondanks bestaan er ook deskundige fokkers die daar wel nog steeds in slagen. Nu nog de hoop dat het goede fokprodukt ook goed terecht komt, want ook daar hangt natuurlijk uiteindelijk alles vanaf.
X, Nederland | 18-10-2010 | 11:51:46

Ik ben het helemaal met Tom Hermans eens. De specialisatie is de dood in de pot. Een goed paard is een allround paard, dat bovendien hard en gezond is en uithoudingsvermogen heeft.


Misschien is het een goed idee om de KWPN-fokkerij voortaan op eventing-paarden te richten, dieren die zowel goed kunnen springen als een goede dressuurproef lopen. Misschien krijgt Tim Lips dan ook eens wat gezelschap, en wordt deze mooie sport hier wat populairder.

Karin, Den Haag | 18-10-2010 | 11:01:19


Pagina: 1
voordelig abonnement