11-01-14 ‘Laat fokkers zien hoe indexen tot stand komen’
door Margo van den Hoogen
Een bekende uitspraak in fokkerijland: ‘Ik kan door de bomen het bos niet meer zien. Snap er helemaal niks van.’ Er lijkt behoefte te zijn aan duidelijkheid. Nou, ik snap ‘m wel. In de fokkerij wemelt het van vragen als: hoe kom ik aan de juiste informatie en hoe weet ik of die klopt? Het schort aan onafhankelijke, objectieve antwoorden.
Het ongewisse en onvoorspelbare ligt continu op de loer. Je dacht van een interessante hengst een veulen te krijgen, maar zijn vader zakt op de index steeds verder weg! Hij was toch dé topper van de hengstentest en had toch zo’n hoge index?
Uiteindelijk blijkt je fokproduct van een middelmatige vader te zijn. Onder het zadel valt ‘ie tegen en van een verbetering van tekortschietende facetten van de merrie is geen sprake. Het vertrouwen in beoordelingen en uitslagen aangaande de prestatievererving van hengsten is helaas al vaak beschaamd. Naar mijn gevoel ligt de oorzaak hiervan in het verhullen van de manier waarop indexen worden berekend. Ook de utopie om schoonheid en prestaties te verenigen en als fokdoel te duiden zorgt voor discrepanties waar fokkers onzeker van worden, zeker in een op sport gerichte fokkerij.
Billen bloot
Met verhullen bedoel ik dat niet openlijk duidelijk wordt gemaakt hoe de berekeningssleutel eruit ziet om een voorgesteld fokdoel te bereiken. Mijn eerste kennismaking met dit fenomeen was in 1991 bij het schrijven van het Europees Hengstenboek. Gevoelsmatig klopten de cijfers van een aantal volbloeden op de index van het KWPN niet. Pas na aandringen kwam ik in gesprek met de betreffende rekenaar. Hoe ik erbij kwam dat zijn indexberekening niet zou kloppen? Nou, heel simpel. Een aantal volbloeden kan het cijfer dat erachter staat gewoon niet halen. Het ene na het andere argument werd aangevoerd. Ik bleef bij mijn standpunt en na veel vijven en zessen ging hij met de billen bloot.
Ja, bij volbloeden werd een andere sleutel voor beweging gehanteerd om ze hoger op de lijsten te krijgen en zo de fokkers ertoe aan te zetten met een volbloed te dekken. Nou ja... Dit noem ik fokkers een rad voor ogen draaien. Mijnheer was niet gecharmeerd van kritiek en wenste geen enkel vraagteken bij zijn berekeningen te zetten. Wat een arrogante stupiditeit. En wie betaalt uiteindelijk de rekening van dergelijke eigengereide beslissingen?
Degradatie
Men hanteert een indexsleutel om jonge hengsten te promoten. Dit vanuit de wetenschappelijk onderbouwde gedachte – zegt men – dat een kleine generatie-interval sneller tot betere prestaties leidt. Dit is, aan sportuitslagen te zien, maar zeer de vraag.
Hengsten als Gotthard, Jalisco, Capitol, Grannus, Cor de la Bryère of Pilot zouden al lang uit de eerste vier generaties verdwenen moeten zijn. Niets is minder waar. De hefboom van berekeningssleutels, waardoor oudere stempelhengsten almaar terugzakken, is een kunstmatige aangelegenheid en doet me verdriet.
Hoe kun je een hengst als Almé Z, die jarenlang wereldwijd topspringpaarden leverde, degraderen tot een middenmoter? Topverervers horen in hun waarde te worden gelaten met de hoogst behaalde score ooit achter hun naam. Weten fokkers meteen wat voor hengst het was of is.
Vertekend beeld
Grote stamboeken als Westfalen en Hannover dicteerden decennia lang de Duitse fokkerij. Enkel omdat zij de grootste aantallen veulens registreerden, de hoogste winsommen binnensleepten en hierdoor koploper bleven. Deze toenmalige winsomranglijsten zijn in waardering en marktwerking vergelijkbaar met de huidige indexpublicaties.
Bij de totstandkoming van de wereldranglijst voor stamboeken, het WBFSH, kunnen – net als bij de voormalige winsomranglijsten – vraagtekens worden geplaatst. Stamboeken met een groot aantal veulens komen automatisch als beste uit de bus. Er is geen correctie op aantallen toegepast en de fokkerij is opnieuw opgezadeld met een vertekend beeld. Indexen blijken een gevaarlijk instrument als je een fokdoel in onvoldoende facetten benoemt. Het relatief kleine stamboek Zangersheide fokt enkel op springkwaliteiten en heeft op dit moment het gelijk aan zijn zijde. Het is, na een herberekening op aantallen, ‘s werelds best presterende springpaardenstamboek. Een voorsprong behaald met en door fokkers die de beste Europese springlijnen met elkaar kruisten en waar het fokdoel er heel simpel uitziet: een zo goed mogelijk springpaard.
Hoor en wederhoor
Concluderend blijkt het moeilijk een ranglijst samen te stellen waarop fokkers mogen vertrouwen. Als er niet genoeg inzicht is over hoe een index berekend kan worden, lijkt het me geen goed plan te publiceren. Zeker bij meerdere targets binnen een fokdoel is het bijna ondoenlijk gerichte sturing middels indexen te geven en is voorzichtigheid geboden. Een stamboek zou enorm geholpen zijn met de toepassing van het principe hoor en wederhoor. Het zou jaarlijks een schat aan informatie kunnen vergaren als fokkers individueel te kennen kunnen geven hoe ze zaken ervaren, hoe ze paarden die ze fokken zelf beoordelen, waar ze blij van worden en waar ze het wel of niet mee eens zijn.
Hiervoor moet je wel bereid zijn je kansel te verlaten en plaats te nemen op de bank om te horen wat je nog niet wist en wat er leeft.
Margo van den Hoogen uit Den Bosch is springpaardenfokker.
Deze opinie verscheen vrijdag 14 januari 2011 in De Paardenkrant
| |
|
reacties
L Jongejan.
Hoe kan een fokkerijorganisatie dergelijke malversaties accepteren en doorgaan alsof er niets aan de hand is? Overigens moet je ook nog afvragen als dit bij de Engelse Volbloeds gebeurt met welke hengsten men nog meer de hand heeft gelicht?
Zie:
http://www.easpstamboek.nl/index2.php?p=fokken_en_selecteren
Zelf berekenen kan een fokker dit nooit. Het ontbreekt hen aan gegevens en apparatuur om dit soort ingewikkelde berekeningen te kunnen uitvoeren.
Waar haal je als fokker dan de juiste gegevens vandaan





