Naast het omroepen op diverse paardenevenementen, sta ik parttime voor de klas op een mbo-opleiding paardenhouderij in Breda. Deze week schreef minister Marja van Bijsterveldt van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) een brief naar de Tweede kamer waarin zij stelt dat het aantal ‘pretstudies’ in het mbo omlaag moet om leerlingen een betere kans op werk te bieden. Het aantal leerlingen dat de opleidingen volgt, moet volgens haar beter op de arbeidsmarkt worden afgestemd. Om dat voor elkaar te krijgen, wil de minister een licentiesysteem invoeren.Naar mijn idee heeft zij niet helemaal ongelijk, maar je kunt je afvragen waarom er niet eerder een vinger aan de pols is gehouden. Het is namelijk zo dat het de wens van het Ministerie van OCW was om het competentiegericht onderwijs in te voeren. Van het systeem van KS (kwalificatiestructuur) naar het CGO (competentiegericht onderwijs) was wellicht helemaal niet zo’n slechte stap. Er kwam in ieder geval aandacht voor de beroepshouding, die voorheen niet te toetsen was. Zeker in de paardenhouderij staat een goede beroepshouding hoog op het lijstje.
Het gaat om competenties van kennis, vaardigheden en attitude. Het lijkt erop dat de nadruk nu vaak te veel op attitude en te weinig op kennis ligt. Wat vroeger het examen was, is nu de proeve van bekwaamheid. De leerlingen worden in een praktijksituatie beoordeeld. De prestatie-indicatoren, oftewel de zaken die getoetst moeten worden in een proeve van bekwaamheid, zijn wellicht voor meerdere uitleg vatbaar. Een voorbeeld bij het voeren: “Hij bepaalt op basis van het voeradvies en de specifieke eigenschappen van het dier welk soort voer, welke samenstelling en welke hoeveelheid geschikt zijn.” Volstaat het dan dat een leerling met de kruiwagen rondrijdt en elk paard voert wat er op zijn boxdeur staat (advies), of moet een leerling volgens het aloude tabellenboekje voor elk paard de behoefte aan EWpa’s kunnen uitrekenen? De toetsing is te vrijblijvend.
Geen fun-opleiding
Ik durf te beweren dat heel veel paardenhouderijstudies zeker geen fun-opleidingen zijn en wel degelijk inhoud en kwaliteit hebben. Ik denk dat leerlingen op een paardenhouderijopleiding veel goede dingen leren. Tot dusverre hebben we stageplekken genoeg. Dat wordt straks wellicht wat lastiger, als vastgehouden gaat worden aan het verplichten van een veiligheidscertificaat. De arbeidsmarkt is wel kleiner, omdat er veel paardenbedrijven zijn die als hobby erbij worden gedaan.
Vaak zien we ook studenten doorstromen naar een hbo-studie en dan hoeft de keuze niet per se paardenhouderij te zijn. Veel van onze leerlingen komen terecht in de periferie, zoals bij verzekeringsmaatschappijen en voerleveranciers, of worden hoefsmid. Ook hebben we studenten die na twee jaar weer afhaken, maar ze hebben dan toch geleerd dat de paardenhouderij niets voor hen is. Ik denk dat het goed is dat ze die keus kunnen maken.
Een leerling die bezeten is van paarden mag je toch niet de mogelijkheden van een paardenstudie afnemen? Als ze afhaken, hoeven ze nooit het gevoel te krijgen van een gemiste kans. Een jonge leerling moet niet beperkt worden in de studiekeus, dat zou een zeer slechte zaak zijn. Ik vind niet dat de minister de loopbaan en studiekeuze kan bepalen van een leerling van zestien of zeventien jaar, die nog niet weet wat hij of zij wil. Dat lijkt me heel dwars. Beknotten hoort niet in een democratie! In heel veel gevallen trekt de overheid haar handen af van strikte regelgeving en laat de markt zijn werk doen. Dat is, denk ik, hier ook op zijn plaats.
Als de minister twijfelt aan de kwaliteit van de opleiding, moet ze wellicht nadenken over de structuur. Ze zou kunnen beginnen met het maken van een eigen crebonummer (opleidingsnummer) voor de paardenhouderij. Nu wordt paardenhouderij ondergebracht bij recreatie- of graasdieren. Dat de opleidingen en de sector een eigen nummer verdienen, mag duidelijk zijn.
Als branche heeft de paardenhouderij een grote omzet van zo’n anderhalf miljard euro. Er is werk voor zo’n 12.000 arbeidskrachten. Ik mag aannemen dat de minister hiervan op de hoogte is. Dit vergt dat je serieus moet kijken naar de sector en dat je met een weldoordacht plan van aanpak moet komen.
Ik begrijp dat de minister inmiddels haar excuus heeft aangeboden, waarvoor dank. Voor alle, meer dan verantwoordelijke, docenten uit het mbo die met ziel en zaligheid niet alleen fun, maar ook functionaliteit in hun opleidingsprogramma stoppen, kan de teleurstelling weggenomen worden door het er niet langer over te hebben, maar er wat aan te doen.
Johan Wilmink, parttime docent paardenhouderij en eigenaar van Stal Horsemanship.
Deze opinie verscheen vrijdag 6 april 2012 in De Paardenkrant