Voor Egbert Schep zijn de hengsten eigenlijk meer een hobby, maar wel een hobby die de handelaar goed ligt. Op de afgelopen KWPN Hengstenkeuring en de laatste verrichtingsonderzoeken bleek zijn scherpe neus voor jong talent maar weer eens. Toch wordt Schep geen hengstenhouder. "Het spelletje met de hengsten vind ik leuk, maar ik ben geen hengstenhouder en wil het ook niet worden."
Waar de daadwerkelijke handel op Stal Schep eerder de boventoon voerde, heeft zich dat door de jaren heen steeds meer verplaatst naar het fokken zelf, opfokken en opleiden van jonge paarden. “De fokkerij is veel meer geworden omdat ik merkte dat de zelfgefokte paarden de paarden waren die het vervolgens het best deden. Dat klinkt misschien een beetje arrogant, maar tegenwoordig zijn alleen de beste paarden het investeren waard. Dat soort goede paarden vinden is ontzettend lastig. Daarbij is het financiële plaatje bij het zelf fokken ook beter: als ik een goede vier- of vijfjarige wil kopen, betaal ik daar al snel 40.000 tot 60.000 euro voor. Dan zitten er altijd paarden tussen die het niet worden en dan is je verlies veel groter dan bij een zelfgefokt paard.”
Benieuwd naar de fokkerij van Stal Schep? Kom de merries, veulens, jaarlingen en hengsten met eigen ogen bekijken tijdens de Horses Fokkerijdag op zaterdag 16 april. >>Meer informatie en aanmelden
De combinatie
Schep fokt zo’n dertig tot veertig veulens per jaar. “Maar voor dit jaar verwachten we hier al weer 45 veulens.” Voornamelijk springpaarden en een paar dressuurpaarden. Vaders zoeken van die 45 veulens is iets waar Schep praktisch het hele jaar door mee bezig is. “Ik heb altijd een paar A4-tjes m op mijn bureau liggen met hengsten die ik interessant vind. En dan ben ik eigenlijk steeds bezig met het maken van de beste combinaties.”
Alleen de beste merries
Maar nog belangrijker dan de hengsten, zijn volgens Schep de merries. “Alleen de beste merries zijn wat mij betreft goed genoeg voor de fokkerij”, aldus Schep. “Van alle fokmerries waarmee ik fok ken ik precies hun sterke en minder sterke punten. Dat is ontzettend belangrijk in de fokkerij. Met uitzondering van een merrie die zich vroeg blesseerde, zijn ze ook allemaal gereden en weet ik hoe ze onder het zadel zijn. Dat moet je ook weten in de fokkerij want dat is waar het om gaat. Het mooie van de fokkerij is dat je kunt compenseren, maar dan moet je wel precies weten wat een merrie nodig heeft. Je moet ervan uit gaan dat alles erfelijk is. Daar zoek ik dan de hengst op uit en als het product dan zo is als verwacht – beter op de punten die je wilde verbeteren – dan kun je ook een betere inschatting maken van hoe zo’n fokproduct uitgroeit. Dan is de kans op succes met die eigen fokproducten groter en zitten er dus ook minder missers tussen.”
Strenger selecteren
In de fokkerij in het algemeen vindt Schep dat er nog veel ‘domme combinaties’ worden gemaakt en ook nog veel paarden gefokt worden die eigenlijk niet bijdragen aan het fokdoel. “Over het algemeen denk ik dat veel fokkers nog strenger moeten zijn in het selecteren van hun merriemateriaal. Dus niet de beste merrie verkopen, maar daarmee fokken. En dan ook zorgen dat je alles weet over die merrie.”
Op populatieniveau is Schep streng: “Als je kijkt naar de hele paardenstapel zou je eigenlijk met een derde af kunnen voor de topsport. Als je de uitslagen bekijkt over de hele wereld, zie je dat de beste paarden uit beste moeders en goede moederstammen komen en ook vaders hebben die betere paarden zijn.”
“Natuurlijk kun je niet nog maar met een derde van de paardenstapel fokken, enerzijds omdat je de fokkerij dan waarschijnlijk te veel zou versmallen qua bloed en anderzijds omdat er nog meer belangen spelen. Als KWPN-bestuurslid ben ik me natuurlijk ook bewust van het verenigingsbelang en dat strookt niet uitsluitend met het belang van de fokkerij van paarden voor de topsport.”
Namenfokkerij
Onder ‘domme combinaties’ schaart Schep ook het stapelen van grote namen, zonder precies te kijken of de combinatie wel passend is. “De afgelopen tien jaar is dat toegenomen omdat op veulenveiling veel betaald wordt voor een opeenstapeling van klinkende namen. Over tien jaar zullen we weten wat deze manier van fokken brengt. Het wordt wel eens commerciële fokkerij genoemd, maar dat vind ik geen passende term. Het is fokken om het veulen te verkopen, commercieel zijn op langere termijn is wat anders. Om commercieel te zijn op lange termijn, moet je zorgen dat je de beste paarden fokt.”
Zin in een zinvolle discussie over fokkerij met Egbert Schep en collega-fokkers? Kom naar de Horses Fokkerijdag op zaterdag 16 april! >>Meer informatie en aanmelden
Een handvol merries
Een ander punt dat Schep stoort, is dat veel jonge hengsten tegenwoordig bijna niet meer de kans krijgen in de fokkerij. “En dat terwijl je in de fokkerij eigenlijk als doel hebt dat elke generatie beter wordt. Ik gebruik daarom ook veel jonge hengsten. En daar komt ook weer de beste combinatie terug: een jonge hengst kan precies hebben wat een bepaalde merrie nodig heeft.”
“Maar het is helaas in Nederland en ook in België zo dat jonge hengsten bijna niks dekken. En als ze nog maar een handvol merries dekken, wordt het ontzettend lastig om te ontdekken of ze fokken. Ik denk dat we daardoor echt verervers mislopen. Een hengst heeft toch minstens dertig tot vijftig nakomelingen per jaar nodig om te toetsen of zijn nafok goed is. Veel jonge hengsten komen nauwelijks aan de vijftien merries. En of hengsten dan dekken heeft praktisch alleen maar met het station te doen, als zij een trouwe klantenkring hebben die op hun hengstenhouder vertrouwen, dekt de hengst nog wat. In de afgelopen twintig jaar heb ik denk ik meer dan 25 goedgekeurde hengsten gehad en ik heb ze allemaal verkocht als sportpaard. Dat komt deels omdat ik er misschien niet genoeg voor doe en ook geen hengstenhouder ben, maar anderzijds ook omdat ze niet echt aan het dekken komen.”
Geen hengstenhouder
Hoewel Schep zich veel met hengsten bezighoudt, heeft hij nooit ambities gehad om hengstenhouder te worden. “Het spelletje met de hengsten vind ik leuk, maar ik ben geen hengstenhouder en wil het ook niet worden. Ik houd van goede paarden en daar zitten dan ook goede hengsten tussen. Paarden fokken, opfokken en opleiding richting de topsport is het belangrijkste op ons bedrijf.”

Dit artikel verscheen eerder in Paardenkrant nr.8-2021. Niks missen? Kies voor een (digitaal) abonnement op de Paardenkrant.

Helemaal mee eens. Ze zeggen niet voor niets, een goed begin is het halve werk.
Streng selecteren op je fok merrie, en weten hoe ze fokt en wat ter verbetering
in aanmerking komt. En behouden wat al goed is. Ken je merrie stam tot minimaal terug tot 3e 4e generatie. En hoe hebben ze het gedaan in de sport.
Geen sport is bij mij ook niet willen werken. Het gevoel moet goed zijn , om bij een bepaalde hengst te fokken. Veel zien, en luisteren naar een ander is altijd welkom, maar volg je eigen kop en gevoel. Stel eisen voor je zelf, wat wil ik fokken maak daar een beeld bij voor je zelf. Succes!! Bart
Er dient ook rekening gehouden te worden met het doel van het fokken van een paard. Voor velen is het doel niet om een superster te fokken, maar een paard dat misschien minder kwaliteit heeft maar ook door een amateur simpel te rijden is.
Liever een paard dat gemakkelijker te rijden is met iets minder kwaliteit, dan een kwaliteitsvol paard dat moeilijker te rijden is.
B. Dan weet je zeker dat je onder de kostprijs kunt verkopen.
Meeste kwaliteit brengt meeste op
Egbert schetst dat jonge hengsten niet of bijna niet worden gebruikt.
Maar waarom w0rden ze niet gebruikt?
Is dat door het onbekende, of ligt het aan de dekgelden die bijna of even hoog zijn als de “bewezen” hengsten.
Ik denk dat als je 2 of 300 euro van het dekgeld af haalt diezelfde hengst 30 tot 40 merries extra krijgt. Het risico is financieel dan toch minder groot. En onder aan de streep houd de hengstenhouder er misschien wel meer aan over.
Als de hengst naam gaat maken kun je nog omhoog met het dekgeld.