Er is een discussie gerezen over de diskwalificatie van Parzival tijdens de Wereldruiterspelen. In de media zijn berichten verschenen over de toepasselijkheid van de regelgeving in dit soort situaties. Tot mijn grote verbazing namen de KNHS en de bondscoach een opmerkelijk standpunt in. Het schijnt namelijk dat in de regelgeving niet specifiek is bepaald dat bij bloed in de mond de combinatie wordt uitgesloten. Zowel de KNHS als de bondscoach waren hiermee niet bekend en zouden bij wetenschap hiervan protest hebben aangetekend.Ik acht dit standpunt onbestaanbaar. Van de KNHS en haar medewerkers mag verwacht worden dat zij de regelgeving kennen. Verder mag een leemte in de regelgeving nooit leiden tot het rechtvaardigen van dieronvriendelijke praktijken. Bovendien is het standpunt van de KNHS volstrekt onjuist. Immers, de uitsluiting vindt haar grondslag in het welzijnsreglement. In een later stadium heeft de KNHS aangegeven dat zij zich berust in de diskwalificatie. Dit lijkt mij volstrekt logisch. Alleen de bondscoach heeft (namens de KNHS) gesteld dat er protest zou zijn aangetekend indien bekend was dat er geen specifieke regelgeving bestond op dat onderdeel.
Ik blijf mij hierover verbazen. Dit is de specifieke uitspraak: “Sjef Janssen, lid van het FEI-dressuurcomite, liet in een reactie weten dat hij zeker in protest zou zijn gegaan tegen het besluit van de jury, als hij van tevoren had geweten dat er in het reglement niets staat over bloed in de mond. Ik kan mij niet voorstellen dat ook maar iemand te vinden is die het met deze beslissing niet eens zou zijn. De bondscoach is kennelijk die enige uitzondering. Bovendien ondersteunt de KNHS deze kwalijke stelling met: “Op het moment van de uitsluiting van Adelinde Cornelissen en Jerich Parzival waren wij niet op de hoogte dat deze regel helemaal niet bestaat. Zij hadden dus nooit uitgesloten mogen worden.
Inmiddels heeft men berust in de sanctie, maar dat laat onverlet dat mijns inziens de KNHS zich anders had moeten opstellen. Weliswaar beroept deze zich op een formeel punt, maar ook deze stelling snijdt geen hout. Bovendien kan ik mij niet voorstellen dat het publiek bloedende paarden wil zien. Ik vind dan ook dat meer concrete regelgeving op dit onderdeel overbodig is. Het welzijnsreglement is afdoende.
Interessant is de vraag waarom een paard bloed in de mond heeft. Uiteraard weet ik niet wat er bij Parzival is gebeurd, maar het getuigt van weinig belangstelling voor paardenwelzijn om de discussie te beperken tot de vraag hoe het met de formele regelgeving is gesteld. De dressuur is de afgelopen jaren onder vuur komen te liggen en het is de taak van de ruitersportorganisaties om uit te stralen dat paardenwelzijn hoog in het vaandel staat. De volgende reactie was diplomatieker geweest: “Het is heel jammer dat deze combinatie is uitgesloten omdat het paard zich ongelukkigerwijze op de tong had gebeten. Dat kan helaas gebeuren, paarden zijn levende wezens. Uiteraard staat bij ons paardenwelzijn op de eerste plaats en is de uitsluiting volkomen terecht en geheel conform de regelgeving”.
Mr. Stephan Wensing, advocaat
Deze column verscheen vrijdag 1 april 2011