Het rijden van een paard dat niet volledig in eigen bezit is, is eerder regel dan uitzondering in de paardensport. Dat geldt voor het allerhoogste niveau van de sport maar ook op recreatief niveau. Denk aan verzorgpaarden, leaseconstructies, bijrijders of samenwerkingsverbanden tussen eigenaren. Hoewel dit vaak informeel en mondeling wordt geregeld, kan het juridische implicaties met zich meebrengen die niet altijd goed worden overzien. In dit artikel belicht Marjolein van Zundert, advocaat en oprichtster van Hippic Legal, de juridische kant van het rijden van paarden van anderen.
Een paard is een zaak
In het Nederlandse recht wordt een paard aangemerkt als een roerende zaak in de zin van artikel 3:2 Burgerlijk Wetboek. Dit betekent dat het paard juridisch gezien vergelijkbaar is met andere goederen, zoals een auto of fiets.
Wel gelden er aanvullende regels vanwege het feit dat een paard ook een levend wezen is. Zo speelt bijvoorbeeld artikel 6:179 Burgerlijk Wetboek een belangrijke rol: de risicoaansprakelijkheid voor dieren. Deze bepaling houdt in dat de bezitter van een dier aansprakelijk is voor de schade die het dier veroorzaakt, tenzij aansprakelijkheid zou hebben ontbroken indien de bezitter het gedrag van het dier volledig onder controle had gehad. Dit vormt een belangrijk uitgangspunt bij het rijden van andermans paard. Verderop in dit artikel meer over dit onderwerp.
Rechtsverhoudingen
Wanneer iemand een paard van een ander rijdt of verzorgt, ontstaat er doorgaans een overeenkomst tussen de eigenaar en de ruiter of verzorger. Deze overeenkomst kan schriftelijk zijn vastgelegd, maar de praktijk wijst uit dat afspraken vaak mondeling worden gemaakt. Juridisch kan dit verschillende vormen aannemen:
- Bruikleen (art. 7A:1777 Burgerlijk Wetboek): de eigenaar stelt het paard om niet ter beschikking. Dat houdt in dat de ruiter of verzorger het paard ‘leent’ en daar niets voor hoeft te betalen.
- Huur (art. 7:201 BW): het verschil tussen lenen en huren is dat bij huur wel een vergoeding wordt betaald voor het gebruik van het paard. Ook wel een tegenprestatie.
- Lease: de term ‘lease’ is geen juridisch begrip en kun je dus ook niet terugvinden in het wetboek. Een leaseovereenkomst is juridisch gezien een huurovereenkomst of een overeenkomst tot bruikleen. De kwalificatie is afhankelijk van de vraag of er een tegenprestatie wordt geleverd zoals het betalen van een vergoeding.
- Opdracht of samenwerking (en mede-eigendom): bijvoorbeeld wanneer een ruiter een paard van iemand anders traint. Deze vorm gaat vaak gepaard met een huurovereenkomst voor stalling. Het paard wordt in de meeste gevallen namelijk gestald op de stal van de ruiter. Wat ook voorkomt in deze juridische constructie is mede-eigendom. Dat houdt in dat een paard eigendom is van meerdere eigenaren. Een vaak geziene constructie is dat de ruiter van het paard eigendom verwerft door het trainen van het paard. Verderop in dit artikel meer over het onderwerp mede-eigendom.
De precieze juridische kwalificatie van de rechtsverhouding is van belang, omdat deze bepaalt welke rechten en verplichtingen partijen hebben.
Aansprakelijkheid bij schade
Een van de meest complexe aspecten is de vraag wie aansprakelijk is bij schade. Hierbij moet onderscheid worden gemaakt tussen schade veroorzaakt door het paard aan een derde, schade aan de ruiter zelf en schade aan het paard.
- Schade veroorzaakt door het paard aan derden: Op grond van artikel 6:179 Burgerlijk Wetboek is in beginsel de bezitter van het paard aansprakelijk. De bezitter is doorgaans de eigenaar, maar dit kan ook iemand anders zijn die feitelijke zeggenschap heeft over het paard. Wanneer een bijrijder het paard onder zich heeft, kan er discussie ontstaan over wie als bezitter moet worden aangemerkt. In de rechtspraak is bepaald dat beslissend is wie de feitelijke macht over het paard uitoefent en het risico draagt. In sommige gevallen kan de ruiter tijdelijk als bezitter worden gezien, bijvoorbeeld wanneer deze zelfstandig met het paard op pad is.
- Schade aan de ruiter zelf: Indien de ruiter schade lijdt door het paard (bijvoorbeeld door een val), kan deze in beginsel de eigenaar aanspreken op grond van artikel 6:179 Burgerlijk Wetboek. Echter, in de praktijk wordt vaak aangenomen dat de ruiter een bepaald risico aanvaardt, zeker bij ervaren ruiters. Dit kan leiden tot vermindering van de aansprakelijkheid (eigen schuld, art. 6:101 Burgerlijk Wetboek). Daarnaast worden in overeenkomsten vaak exoneratieclausules opgenomen, waarin aansprakelijkheid wordt beperkt of uitgesloten.
- Schade aan het paard: Als de ruiter schade veroorzaakt aan het paard, bijvoorbeeld door onzorgvuldig rijden of verzorgen, kan hij aansprakelijk zijn op grond van wanprestatie (art. 6:74 BW) of onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). De vraag is dan of de ruiter heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en zorgvuldig ruiter betaamt.
Mede-eigendom van een paard
Een bijzondere situatie ontstaat wanneer een paard meerdere eigenaren heeft. Dit wordt juridisch aangeduid als mede-eigendom (art. 3:166 Burgerlijk Wetboek). Het bijzondere aan deze situatie is dat iedere mede-eigenaar een aandeel heeft in het paard, maar het paard zelf ondeelbaar is.
Mede-eigendom brengt een gemeenschap met zich mee. Dit betekent bijvoorbeeld dat beslissingen over het paard in beginsel gezamenlijk moeten worden genomen, iedere mede-eigenaar recht heeft op gebruik van het paard, mits dit verenigbaar is met de rechten van de anderen en kosten en opbrengsten in principe naar rato van het aandeel worden verdeeld, tenzij anders afgesproken. In de praktijk worden afspraken vaak mondeling gemaakt, maar het is te adviseren om de gemaakte afspraken schriftelijk vast te leggen in overeenkomst voor mede-eigendom.
Het gebruik van het paard door de mede-eigenaren kan namelijk tot conflicten leiden. Denk aan vragen zoals wie mag wanneer rijden, mag een mede-eigenaar het paard door een derde laten rijden, hoe wordt omgegaan met wedstrijden en trainingen en wie draagt de kosten voor het paard.
Zonder duidelijke schriftelijke afspraken kan dit leiden tot geschillen. De wet biedt slechts een algemeen kader. Nadere invulling is aan partijen zelf.

Aansprakelijkheid binnen mede-eigendom
Bij schade veroorzaakt door het paard aan derden zijn in beginsel alle mede-eigenaren hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat een benadeelde de volledige schade op één van hen kan verhalen, waarna onderling regres mogelijk is.
Indien een mede-eigenaar het paard laat rijden door een derde, kan dit de aansprakelijkheidsverdeling verder compliceren. Het is dan van belang om vast te stellen wie feitelijk als bezitter van het paard optrad ten tijde van het incident.
Beëindiging van mede-eigendom
Mede-eigendom kan worden beëindigd door verdeling (art. 3:178 BW). Aangezien een paard niet fysiek kan worden gesplitst, zal dit doorgaans neerkomen op verkoop en verdeling van de opbrengst, of overname door één van de mede-eigenaren. Het is verstandig om van tevoren schriftelijk afspraken te maken over de beëindiging van de mede-eigendom. Moet een mede-eigenaar zijn eigendomsaandeel bijvoorbeeld eerst aan de andere mede-eigenaren aanbieden of mag de mede-eigenaar zijn eigendomsaandeel zonder toestemming verkopen aan een derde? Dit zijn vragen om op voorhand over na te denken.
Contractuele vastlegging en praktische aandachtspunten
Gezien de complexiteit van de rechtsverhoudingen bij het rijden of verzorgen van paarden van anderen is het sterk aan te raden om afspraken schriftelijk vast te leggen. Belangrijke elementen zijn onder meer wie het paard mag rijden en wanneer, welke kosten voor wiens rekening komen, verdeling van aansprakelijkheid, wie mag handelen bij noodgevallen en beëindiging van de overeenkomst. Dit geldt zowel op recreatief niveau als hoog in de sport.
Naast de juridische aspecten zijn er ook praktische overwegingen die juridische gevolgen kunnen hebben. Zo brengt een onervaren ruiter meer risico met zich mee en kan een ‘moeilijk’ of groen paard leiden tot verhoogde aansprakelijkheid.
Conclusie
Het rijden van paarden van anderen is juridisch gezien geen vrijblijvende aangelegenheid. Zowel voor eigenaren als ruiters en verzorgers kunnen aanzienlijke juridische risico’s ontstaan, met name op het gebied van aansprakelijkheid. Deze risico’s worden nog complexer in situaties van mede-eigendom, waar meerdere partijen rechten en plichten delen.
Het Nederlandse recht biedt een kader, maar laat veel ruimte voor interpretatie en invulling. Daarom is het van belang dat afspraken schriftelijk worden vastgelegd zodat partijen zich bewust zijn van hun juridische positie. Heldere communicatie en een goed contract kunnen geschillen voorkomen en risico’s beperken.
Door deze aspecten serieus te nemen, kan de samenwerking rond een paard niet alleen plezierig, maar ook juridisch verantwoord verlopen. Wil je jouw situatie laten beoordelen of erover sparren, neem dan contact op met een jurist of advocaat met verstand van paarden.

