Een receptplicht voor wormbestrijdingsmiddelen bij paarden is in 2008 ingevoerd. De oorsprong van deze regel ligt in de almaar toenemende resistentie van wormen tegen wormmiddelen. Dit geldt vooral voor de cyathostominae (rode bloedwormen), hoewel ook wijdverspreide resistentie bij spoelwormen voorkomt. De receptplicht was een fikse stap in de goede richting. Maar omdat alle paarden met wormen, en zeker met rode bloedwormen, besmet zijn, is het nog steeds te makkelijk om zonder enige kennis van het werkelijke probleem te blijven ontwormen.Dit kan en moet beter en wel op basis van de volgende feiten. Allereerst scheidt een zeer groot percentage van de paarden, vooral volwassen paarden, niet of nauwelijks wormeieren uit met hun ontlasting. Ten tweede wordt een hoge besmettingsdruk in de omgeving van paarden vooral veroorzaakt door een klein aantal paarden die wel veel eieren uitscheiden. Ten derde, hoe vaker paarden worden behandeld, hoe eerder resistentie tegen een wormmiddel ontstaat. Ten vierde, hoe groter het deel van de wormpopulatie is dat regelmatig wordt blootgesteld aan wormmiddel, hoe sneller resistentie onder de wormen verspreidt. Ten vijfde bestaan er goede mogelijkheden om de besmetting in de omgeving ook zonder vaak te ontwormen laag te houden. Tenslotte, veel wormsoorten zijn niet uit te roeien. Gelukkig hoeft dat ook niet, want in de regel is een lichte worminfectie niet schadelijk voor het paard. Het veroorzaakt geen ziekte en het maakt het paard meestal immunologisch alleen maar sterker. Bovendien zijn sommige wormsoorten of andere parasieten, zoals lintwormen en paardenhorzels, weinig ziekmakend van zichzelf.
Preventief ontwormen heeft dan ook alleen tot doel om de besmettingsdruk in de omgeving laag te houden, zodat er geen risico meer is dat een paard ziek wordt, ondanks dat er nog steeds kleine aantallen wormen aanwezig zijn.
Uitscheider
Om de besmettingsdruk in de omgeving laag te houden, is het dus voldoende om alleen de zogenaamde uitscheiders te ontwormen op het moment dat ze ook daadwerkelijk veel wormeieren uitscheiden. Door middel van mestonderzoek op wormeieren kan worden bepaald welke paarden uitscheider zijn en wanneer ze veel eieren op het land brengen. Paarden die na enkele mestonderzoeken nog steeds geen of heel weinig wormeieren uitscheiden, blijven in de regel altijd geen of weinig eieren uitscheiden. Deze paarden hoeven dan ook niet behandeld te worden. Het mestonderzoek van deze paarden kan vervolgens worden beperkt tot een minimum of kan zelfs helemaal worden overgeslagen. Belangrijk gevolg van deze aanpak is dat de weinige wormeieren die door de niet ontwormde paarden worden uitgescheiden wel het grootste deel van de nieuwe generatie in de omgeving gaat vormen. Dat zijn dus de nakomelingen van de wormen die niet of veel minder vaak hebben blootgestaan aan het wormmiddel.
Daarmee wordt het risico op het ontstaan van resistentie zeer veel kleiner en kan langer op een verstandige manier gebruik gemaakt blijven worden van de huidige nog effectieve wormproducten. Zorg er wel voor dat, indien nodig, er wordt behandeld met een effectief wormmiddel. De effectiviteit moet liefst jaarlijks worden gecontroleerd door mestonderzoek.
Niet onnodig ontwormen
Omdat er al een lange traditie bestaat om paarden vaak te ontwormen zonder voorafgaand mestonderzoek, vergt bovenstaande een grote verandering in de houding van de praktijk ten aanzien van de wormbestrijding. Het blijkt dat dit een zeer moeizaam proces is, waar emoties en tegengestelde belangen van allerlei betrokken partijen een grote rol in spelen. Daarom dient de regelgeving te worden aangescherpt. Er zou alleen nog mogen worden ontwormd als mestonderzoek daartoe aanleiding geeft.
Het geeft geen pas meer om paarden onnodig te ontwormen. Dat stimuleert een snelle ontwikkeling van resistentie onder wormen tegen die producten. Bovendien valt het niet te rijmen met verantwoord gebruik van diergeneesmiddelen. Om dit te ondersteunen, kunnen er enkele maatregelen worden genomen die zeer effectief zijn in het laag houden van de besmettingsdruk in de omgeving. Daartoe horen het regelmatig opruimen van mest in het weiland en uit de stal en waar mogelijk een beter gebruik van het beschikbare land. Op www.parasietenwijzer.nl wordt uitgebreid ingegaan op de belangrijkste worminfecties en hun bestrijding bij paarden.
Veterinair parasitoloog dr. Harm W. Ploeger werkt bij de faculteit Diergeneeskunde Universiteit te Utrecht.
Deze opinie verscheen vrijdag 30 september 2011 in De Paardenkrant