De twijfel stak voor het eerst de kop op tijdens het Europees kampioenschap van 2013 in Herning. Challenge van de Begijnakker (v. Chellano Z) liep toen een oogblessure op. Samen hebben we ons teruggeknokt tot op het hoogste niveau. Ik maakte samen met mijn zoon Nicola deel uit van het team dat de landenwedstrijd van Rome won, in Sankt Gallen won ik de kwalificatieproef voor de Grote Prijs. En toen kwam Fontainebleau. Daar ben ik gevallen. Tien dagen later ging ik naar Mons, maar ik kon het niet meer opbrengen, het ging gewoon niet meer. Ik ben naar huis gereden en heb aan mijn vrouw verteld dat het voorbij was.
Spijt heb ik niet, het is een mooie carrière geweest en ik heb nergens spijt van. Succes en tegenslagen horen bij de sport. Het zijn de tegenslagen die je sterker maken. De grootste ontgoocheling uit mijn loopbaan van 46 jaar is het Europees kampioenschap van 2003 in Donaueschingen, waar ik met Parco (v. Darco) individueel vierde werd. Een fout op de laatste hindernis kostte me de gouden medaille. Maar uiteindelijk ben ik ook van die tegenslag sterker geworden. Ik reed vier Olympische Spelen en greep daar twee keer net naast een medaille. Grote kampioenschappen waren misschien nooit mijn ding, alleen op het EK van 2001 in Arnhem won ik met Otterongo (v. Darco) individueel zilver.
Maar als ik terugblik: het is goed geweest en ik heb van mijn hobby ook mijn beroep kunnen maken. Zonder cadeaus, want ik heb hard moeten knokken en dat maakt me ook zo fier. Pas op mijn 23e begon ik internationaal, in vergelijking met mijn zonen Nicola en Olivier is dat laat. Nicola was 19 toen hij in Falsterbö won, 21 toen hij zijn eerste Wereldbekerwedstrijd won. Olivier was 19 toen hij Spruce Meadows won. Ik won in 1988 mijn eerste Wereldbekerwedstrijd, in London, met Darco (v. Lugano van la Roche) was dat.
De sport is veel veranderd in de periode tussen mijn debuut en hun eerste grote succes. Zonder professionele begeleiding en omkadering lukt het niet. Dat wil ik voor hen betekenen. Op het moment dat ik nog volop bezig was met mijn eigen carrière als sporter begonnen mijn kinderen harder en harder tegen de deur te kloppen. Dat ik samen met hen heb kunnen rijden én resultaten heb kunnen behalen is fantastisch. Met mijn afscheid van de topsport zet de generatiewissel zich door. Eerst Dirk Demeersman met wie ik zo vaak in het team reed, nu ikzelf. Ik weet dat de naam Philippaerts soms zwaar weegt, al moet ik zeggen dat mijn zonen sterk genoeg zijn en zich niet gauw uit hun lood laten slaan.
Ludo Philippaerts, springruiter
Deze column verscheen donderdag 30 april 2015 in De Paardenkrant.
