In de paardenwereld groeit de aandacht voor het behandelen, herstellen en revalideren van paarden. Steeds meer bedrijven en specialisten bieden diensten aan die zich richten op het ondersteunen van paarden bij lichamelijk herstel; variërend van training en voeding tot hoefzorg, bewegingstherapie en huisvesting tijdens revalidatie. Maar waar ligt de grens tussen zorg en genezing? Wanneer overschrijdt een dienstverlener – hoe deskundig ook – die grens en handelt hij of zij in strijd met de Wet dieren? En wat zijn de consequenties? De regelgeving blijkt strikter dan veel mensen denken. Wie niet goed oplet, loopt risico.
Marjolein van Zundert, advocaat bij Hippic Legal, en Reinder Eekhof, binnenkort weer hippisch advocaat, werken samen in het hippisch recht. In dit artikel gaan zij in op de juridische kanten van het als professional behandelen van paarden, herstellen van paarden en begeleiden van de revalidatie van paarden, welke risico’s je daarbij als (niet-diergeneeskundig) hippisch professional loopt en hoe je op een verantwoorde manier met die risico’s om kunt gaan.
De Wet dieren
De ‘Wet dieren’ vormt het juridische kader voor diergezondheid en -welzijn. De wet bepaalt onder meer dat ‘diergeneeskundige handelingen’ alleen mogen worden verricht door beoefenaars van bepaalde gekwalificeerde beroepen: dierenartsen, dierenartsassistent-paraveterinairen, dierfysiotherapeuten en embryotransplanteurs of -winners. Om ‘diergeneeskundige handelingen’ te mogen uitvoeren, moeten die beroepsbeoefenaars zich hebben geregistreerd in het Diergeneeskunderegister.
Wanneer is iets ‘diergeneeskundig’?
Volgens de Wet dieren gelden de volgende handelingen als ‘diergeneeskundig’:
- het voorschrijven of uitvoeren van een behandeling of het onderzoeken van een dier, met het oog op het voorkomen, genezen, verzachten, onderkennen of opheffen van een aandoening, dierziekte, zoönose, ziekteverschijnsel, gebrek, of van in- of uitwendig letsel of pijn;
- het voorschrijven of toepassen van een verdoving of bedwelming;
- het verlenen van hulp met betrekking tot de geboorte of verwijdering van een vrucht;
- het onvruchtbaar maken;
- het winnen en overzetten van embryo’s of eicellen, en
- het verrichten van ‘lichamelijke ingrepen’ ter uitvoering van de handelingen, bedoeld in de voorgaande onderdelen, alsmede andere lichamelijke ingrepen
(‘lichamelijke ingrepen’ zijn: alle handelingen waarbij ‘de natuurlijke samenhang van weefsels wordt doorbroken’; denk aan snijden of injecteren, maar ook aan laserbehandeling of dry needling; red.)
Zelfs zonder het gebruik van medicijnen, verdoving, injectienaalden of chirurgische instrumenten, kan een handeling dus als ‘diergeneeskundig’ worden beschouwd. Bij de hierboven als eerste genoemde, en verreweg de breedste, categorie gaat het met name om de intentie waarmee wordt behandeld.
Al deze handelingen mogen dus in principe uitsluitend worden uitgevoerd door dierenartsen en – in bepaalde gevallen én onder bepaalde voorwaarden – door dierenartsassistent-paraveterinairen, dierfysiotherapeuten en embryotransplanteurs of -winners.
Wat mogen ‘niet-diergeneeskundigen’ dan doen? Volgens de wet resteren voor deze grote groep professionals slechts handelingen die puur gericht zijn op verzorging, training of comfort van het dier.
Handhaving en straffen
De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) ziet toe op de naleving van de Wet dieren (en de regelgeving waarin die wet is uitgewerkt: het Besluit diergeneeskundigen en de Regeling diergeneeskundigen). De NVWA is ook de bevoegde instantie om bij geconstateerde overtredingen tot handhaving over te gaan.
Handhaving kan tot serieuze sancties leiden: overtreding van de Wet dieren is een strafrechtelijk delict dat kan worden bestraft met een boete en/of hechtenis.

Een groeiend veld buiten de diergeneeskunde
In de praktijk is er een breed en groeiend veld van professionals actief rond het herstel van paarden, waarvan velen geen ‘diergeneeskundige’ zijn in de zin van de wet. Denk bijvoorbeeld aan, voedingsadviseurs, osteopaten, natuurgeneeskundigen, bewegingsbegeleiders, paardenmasseurs, paardenspa’s, revalidatiecentra, verzorgers op gespecialiseerde stallen, et cetera.
Al deze professionals zijn gespecialiseerd in werk dat zich op de één of andere manier bezighoudt met het ondersteunen van herstel: het verbeteren van beweging, comfort, spierkracht, balans of gedrag. Vaak gebeurt dat in nauwe samenwerking met eigenaar en dierenarts. Toch lopen deze dienstverleners juridisch gezien een risico.
Het grijze gebied van revalidatie
Juist bij revalidatiepaarden is de grens tussen verzorging en behandeling immers maar moeilijk scherp te trekken. Een paard dat herstelt van een blessure heeft vaak nog medische begeleiding nodig, terwijl tegelijkertijd niet-diergeneeskundige ondersteuning wenselijk is. Het is niet altijd even eenvoudig, praktisch of wenselijk om deze twee smaken strikt gescheiden te houden. Op basis van de huidige wettelijke regeling is dat echter wel noodzakelijk.
Hoe meer het werk van ‘niet-diergeneeskundige’ professionals het karakter heeft van een ‘diergeneeskundige behandeling’, des te groter de kans dat ze in strijd handelen met de Wet dieren; met alle mogelijke gevolgen van dien. We zagen al dat handhaving door de NVWA tot strafrechtelijke maatregelen kan leiden.
Hoe aan de wet te voldoen
De oplossing voor deze lastige situatie lijkt te liggen in samenwerking tussen dierenartsen en niet-diergeneeskundigen, met daarin een doordachte rolverdeling conform de wet en een zorgvuldige vastlegging daarvan. De dierenarts is bevoegd om de diagnose te stellen, het behandelplan te bepalen en de benodigde diergeneeskundige handelingen uit te voeren; de niet-diergeneeskundige kan binnen het behandelplan ondersteunende en verzorgende werkzaamheden uitvoeren. Belangrijk is dat het behandelplan en ieders taken en verantwoordelijkheden daarbinnen zorgvuldig schriftelijk worden vastgelegd en door de betrokken partijen worden geaccordeerd.
Communicatie en profilering
Niet alleen is juridisch relevant welke handelingen de professional verricht, maar ook de indruk die in externe communicatie wordt gewekt. Termen als ‘geneeskunde’, ‘therapie’, ‘behandeling’ of ‘genezing’ wekken de indruk van diergeneeskundig handelen en worden beter vermeden. Als ‘niet-diergeneeskundig’ professional is het veiliger om te spreken over: ‘ondersteuning’, ‘verzorging tijdens herstel’, of ‘revalidatiebegeleiding’. Vanzelfsprekend is het wel in orde, en zelfs van harte aan te bevelen, om in externe communicatie de goede samenwerking met de dierenarts uit te dragen. Transparantie is essentieel: geef duidelijk aan hoe de rolverdeling is en wie welke, diergeneeskundige dan wel verzorgende/ondersteunende, handelingen uitvoert.

In onze ogen
De regeling in de Wet dieren is niet voor niets zo streng. Diergeneeskundige handelingen brengen risico’s met zich mee, zowel voor het dier als voor de eigenaar. Een verkeerd uitgevoerde diagnose, manipulatie of behandeling kan leiden tot pijn, verergering van klachten of blijvende schade. Daarom is de grens tussen verzorging en diergeneeskunde bewust scherp getrokken.
Wij zijn echter van mening dat de huidige regeling in de Wet dieren zijn doel voorbijschiet. Mens noch paard zijn hiermee gediend.
Want ‘niet-diergeneeskundige’ professionals in de hippische sector staan bij revalidatietrajecten nu in feite grotendeels buitenspel. Dat doet geen recht aan de vakkundigheid van deze professionals en de belangrijke rol die zij zouden kunnen spelen in het revalidatieproces en (dus) het paardenwelzijn; een rol die ze echter in de huidige constellatie niet kunnen spelen.
Tegelijkertijd legt de regeling in de Wet dieren een – in onze ogen – onevenredig grote werkdruk en -last bij de dierenartsen. Wij onderschrijven de noodzaak van veterinaire expertise bij diergeneeskundige handelingen, maar wij denken dat dit doel ook bereikt kan worden op een manier die enerzijds een minder grote wissel trekt op de dierenartsenij, en anderzijds meer recht doet aan de deskundigheid van hippische revalidatieprofessionals die nu nog min of meer worden afgeserveerd als ‘niet-diergeneeskundigen’.
Een oplossing zien wij in het verplaatsen van accenten: behoud de hechte samenwerking tussen dierenarts en andere hippische professionals, maar laat – in gevallen die zich daarvoor lenen – de rol van de dierenarts steeds meer verschuiven van uitvoerder van ‘diergeneeskundige’ revalidatiehandelingen, naar regisseur en eindverantwoordelijke.
Naar verluidt hebben de dierenartsen middels een brandbrief al de noodklok geluid over deze problematiek, en vinden ook al gesprekken plaats tussen brancheverenigingen van hippische professionals en de NVWA. Hopelijk vinden partijen gezamenlijk een oplossing die recht doet aan ieders rol, passie en vakkundigheid, en die vooral ook ten goede komt aan datgene dat ons allemaal aan het hart gaat: het welzijn van de dieren.
Conclusie
De Wet dieren is strikt, maar wie de regels kent en respecteert, en zorgvuldig vastlegt hoe hij of zij die regels naleeft, kan toch actief blijven binnen de grenzen van de wet. Niet-diergeneeskundige professionals mogen op dit moment een rol spelen in het herstel van paarden, maar moeten zich beperken tot handelingen die niet zijn gericht op genezing of pijnbestrijding. Door samenwerking met een geregistreerde dierenarts, een goede rolverdeling, zorgvuldige vastlegging van taken en verantwoordelijkheden in een dossier en door transparante communicatie, kunnen ook ‘niet-diergeneeskundige’ hippische professionals hun expertise blijven inzetten voor gezonde, pijnvrije paarden.
Twijfel je of jouw activiteiten wel of niet als ‘diergeneeskundig’ moeten worden bestempeld? Vraag je je af of je de risico’s afdoende hebt afgedekt? Of wil je meer weten over de Wet dieren en wat die voor jou betekent? Neem dan gerust even contact met ons op! Wij helpen je graag verder.
